top of page

Bekeer je en geloof het Evangelie

27 aug
14 minuten om te lezen

Bijgewerkt op: 3 sep

Ik heb een groot hart voor de rijke theologie die uit de Reformatie tot ons gekomen is. De nadruk op de soevereiniteit van God, de totale verdorvenheid van de mens, rechtvaardiging door het geloof alleen en redding uit genade alleen heeft de kerk steeds opnieuw teruggebracht naar de Schrift. Ook zelf sta ik in die gereformeerde lijn. Juist daarom raakt het mij wanneer waarheden die bedoeld zijn om Gods genade groot te maken, zo worden toegepast dat een zondaar uiteindelijk nauwelijks meer rechtstreeks tot Christus durft te gaan.


Ik ben zelf niet reformatorisch opgevoed. Mijn kinderen groeien inmiddels wel op met de Bijbel, de prediking en de rijke erfenis die wij vanuit de Reformatie hebben ontvangen. Daardoor kom ik ook vragen tegen die binnen reformatorische gezinnen en gemeenten al generaties lang spelen. Wat moet een mens doen en wat kan hij überhaupt doen? Als God soeverein verkiest, kan ik dan werkelijk tot Christus komen? Mag ik de beloften van het Evangelie persoonlijk geloven? Moet ik wachten op een bepaalde mate van zondekennis of een bijzondere ervaring van Gods werk voordat ik mag zeggen dat Christus ook mijn Zaligmaker is?


Dat zijn geen kleine vragen. Hier raken Gods soevereiniteit en menselijke verantwoordelijkheid elkaar. En juist daar moeten we oppassen dat onze systemen, ervaringen en tradities niet uiteindelijk bepalen hoe we de Schrift lezen.


Want ook een gereformeerde traditie moet voortdurend door het Woord van God gereformeerd worden.


Jezus zegt: bekeer je en geloof


Wanneer Jezus Zijn openbare bediening begint, klinkt Zijn boodschap opvallend direct:

“De tijd is vervuld en het Koninkrijk van God is nabijgekomen; bekeer u en geloof het Evangelie.”— Markus 1:15

Jezus zegt niet: wacht totdat je voldoende kenmerken van wedergeboorte bij jezelf hebt gevonden. Hij zegt ook niet: probeer eerst te ontdekken of je tot de uitverkorenen behoort.


Hij gebiedt mensen zich te bekeren en het Evangelie te geloven.


Dat patroon vinden we door het hele Nieuwe Testament. Op de Pinksterdag vragen overtuigde mensen aan Petrus en de andere apostelen wat zij moeten doen. Petrus antwoordt: “Bekeer u” (Hand. 2:38). Paulus en Silas zeggen tegen de gevangenbewaarder: “Geloof in de Heere Jezus Christus en u zult zalig worden” (Hand. 16:31). Paulus verkondigt in Athene dat God “nu overal aan alle mensen verkondigt dat zij zich moeten bekeren” (Hand. 17:30).


Dat is opmerkelijk directe taal.


De prediking van het Evangelie brengt de hoorder niet eerst bij Gods verborgen raadsbesluit. Zij brengt hem bij Christus.


Maar een mens kan toch niet uit zichzelf geloven?


Precies. En hier ontstaat vaak de spanning.


Dezelfde Bijbel die een mens zonder terughoudendheid beveelt te geloven, leert dat die mens door de zonde geestelijk dood is (Ef. 2:1), dat het vlees zich niet aan Gods wet onderwerpt en dat ook niet kan (Rom. 8:7-8), en dat niemand tot Christus kan komen tenzij de Vader hem trekt (Joh. 6:44).


Ik geloof niet dat ergens diep in ieder mens een neutrale vrije wil zit die uiteindelijk zelfstandig vóór of tegen Jezus kan kiezen. Wanneer een zondaar werkelijk tot Christus komt, is dat genade. God opent het hart, schenkt geloof, brengt tot bekering en maakt levend.


Maar vervolgens wordt soms een verkeerde conclusie getrokken: als de mens uit zichzelf niet kan geloven, moeten we hem misschien ook niet zo rechtstreeks oproepen om te geloven. Dat doet de Schrift nergens.


Onvermogen heft verantwoordelijkheid niet op. God gebiedt wat recht is, terwijl onze onwil en ons onvermogen juist onderdeel zijn van onze gevallen toestand. Daarom kunnen wij Gods soevereine werk en de menselijke verantwoordelijkheid niet tegen elkaar uitspelen.


Jezus kan in hetzelfde Evangelie zeggen:

“Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekt.”— Johannes 6:44

en:

“Wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.”— Johannes 6:37

Beide zijn waar.


Je hoeft niet eerst te weten of je uitverkoren bent


Hier kan het pastoraal misgaan.


Een mens raakt overtuigd van zijn zonde en begint zich af te vragen of er voor hem werkelijk genade is. Vervolgens keert hij steeds verder naar binnen. Heb ik voldoende zondekennis? Is mijn berouw wel diep genoeg? Was mijn gebed werkelijk oprecht? Heeft God al iets in mij gewerkt? Heb ik de juiste kenmerken? Ben ik misschien uitverkoren?


Ik ontken daarmee niet dat zelfonderzoek Bijbels is. De Schrift roept ons daartoe op. Ook het werk van de Heilige Geest in een mens heeft herkenbare vrucht.


Maar zelfonderzoek mag nooit onze blik van Christus afwenden. De zekerheid van het geloof wordt uiteindelijk niet gevonden door steeds dieper in onszelf te graven, maar door te zien op Christus en te rusten in Gods beloften in Hem.


De verkiezing is een heerlijke Bijbelse waarheid, maar Gods verborgen besluit is niet de plaats waar een zoekende zondaar zijn eerste zekerheid moet proberen te vinden. Deuteronomium 29:29 maakt onderscheid tussen de verborgen dingen die voor de HEERE zijn en de geopenbaarde dingen die voor ons zijn.


En wat heeft God geopenbaard?


Dat Christus een volkomen Zaligmaker is. Dat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft. Dat wie dorst heeft mag komen. Dat wie tot Christus komt niet wordt uitgeworpen.


De vraag is daarom niet eerst:

Ben ik uitverkoren en mag ik daarom komen?


De oproep van het Evangelie is:

Kom tot Christus. Bekeer je en geloof.


En wanneer je werkelijk komt, zul je uiteindelijk ontdekken dat zelfs dat komen geen reden geeft om in jezelf te roemen.


Dordt spreekt veel vrijmoediger dan sommigen denken


Juist hier vind ik de Dordtse Leerregels bijzonder waardevol. Soms wordt een afwachtende houding verdedigd alsof dat noodzakelijk voortvloeit uit de gereformeerde leer van verkiezing. Maar Dordt zelf spreekt anders.


In hoofdstuk II, artikel 5 wordt gezegd dat de Evangeliebelofte aan de mensen tot wie God het Evangelie zendt zonder onderscheid verkondigd moet worden:


Dordtse Leerregels, hoofdstuk II, artikel 5:


“Voorts is de belofte des Evangelies, dat een iegelijk, die in den gekruisigden Christus gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe; welke belofte allen volken en mensen, tot welke God naar Zijn welbehagen Zijn Evangelie zendt, zonder onderscheid moet verkondigd en voorgesteld worden, met bevel van bekering en geloof.”


Dat woord bevel is belangrijk. Het Evangelie geeft niet slechts informatie over wat God mogelijk in sommige mensen zal doen. In de verkondiging komt God Zelf met Zijn oproep: bekeer je en geloof in Christus.


Nog duidelijker wordt dit in hoofdstuk III/IV, artikel 8. Daar belijdt Dordt dat allen die door het Evangelie geroepen worden, “ernstiglijk geroepen” worden. God maakt waarachtig bekend wat Hem aangenaam is: dat de geroepenen tot Hem komen.


Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 8:


“Doch zovelen als er door het Evangelie geroepen worden, die worden ernstiglijk geroepen. Want God betoont ernstiglijk en waarachtiglijk in Zijn Woord wat Hem aangenaam is, namelijk dat de geroepenen tot Hem komen. Hij belooft ook met ernst allen, die tot Hem komen en geloven, de rust der zielen en het eeuwige leven.”


Let op hoe vrijmoedig onze gereformeerde vaderen hier spreken. De roeping is duidelijk. God roept ernstiglijk en waarachtiglijk. De zondaar die het Evangelie hoort, hoeft daarom niet eerst Gods verborgen raad binnen te dringen om te ontdekken of hij wel mag komen. Hij wordt door het Evangelie geroepen om te komen en te geloven.


En dan bewaakt Dordt onmiddellijk de andere kant. Wanneer iemand daadwerkelijk gehoor geeft aan die oproep, mag dat volgens III/IV, artikel 10 niet worden toegeschreven aan de mens alsof hij zichzelf van anderen onderscheiden heeft. Uiteindelijk is het God Die hem krachtig roept, geloof en bekering schenkt en hem uit de macht van de duisternis verlost.


Dordtse Leerregels, hoofdstuk III/IV, artikel 10:


“Maar dat anderen, door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, komen en bekeerd worden, dat moet men den mens niet toeschrijven, alsof hij zichzelven door zijn vrijen wil zou onderscheiden van anderen, die met even grote of genoegzame genade tot het geloof en de bekering voorzien zijn (hetwelk de hovaardige ketterij van Pelagius stelt); maar men moet het Gode toeschrijven, Die, gelijk Hij de Zijnen van eeuwigheid uitverkoren heeft in Christus, alzo ook dezelfden in den tijd krachtiglijk roept, met het geloof en de bekering begiftigt, en uit de macht der duisternis verlost zijnde, tot het Rijk Zijns Zoons overbrengt, opdat zij zouden verkondigen de deugden Desgenen, Die hen uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht, en opdat zij niet in zichzelven, maar in den Heere zouden roemen, gelijk de apostolische schriften telkens getuigen.”


Niet:

God is soeverein, dus wacht maar af.


Ook niet:

God heeft Zijn deel gedaan, nu ligt de beslissende keuze bij jouw vrije wil.


Maar:

God beveelt de zondaar werkelijk te komen, en wanneer de zondaar werkelijk komt, ontvangt God daarvoor alle eer.


Ook de Heidelbergse Catechismus spreekt persoonlijk


Hetzelfde valt mij op wanneer we de Heidelbergse Catechismus lezen. Eerst wordt in zondag 7 duidelijk gemaakt dat niet automatisch ieder mens zalig wordt:


Vraag 20: Worden dan alle mensen wederom door Christus zalig, gelijk zij door Adam zijn verdoemd geworden?

Antwoord: “Neen zij, maar alleen degenen, die Hem door een waar geloof worden ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen.”


Vervolgens wordt gevraagd wat dat ware geloof dan is:

Vraag 21: Wat is een waar geloof?

Antwoord: “Een waar geloof is niet alleen een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd, dat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om der verdienste van Christus wil.”


En vervolgens bewaakt de Catechismus opnieuw Gods soevereine genade in vraag 65.


Vraag 65: Aangezien dan alleen het geloof ons Christus en al Zijn weldaden deelachtig maakt, vanwaar komt zulk geloof?


Antwoord:

“Van den Heiligen Geest, Die het geloof in onze harten werkt door de verkondiging des Heiligen Evangelies.” 

Let op beide kanten. Christus en Zijn weldaden worden door het geloof werkelijk aangenomen, en dat geloof kent het persoonlijke vertrouwen: “niet alleen anderen, maar ook mij.” Tegelijkertijd schrijft de Catechismus dat dit vertrouwen door de Heilige Geest Zelf door het Evangelie in het hart wordt gewerkt. Het persoonlijke aannemen van Christus en Gods soevereine genadewerk worden dus niet tegen elkaar uitgespeeld.


Ik geloof. En God werkt het geloof. We hoeven die twee niet uit elkaar te trekken.


Zondekennis is noodzakelijk, maar geen toegangsbewijs tot Christus


Ook hier kan een terechte reformatorische nadruk scheefgroeien. De Heidelbergse Catechismus begint niet voor niets met ellende, verlossing en dankbaarheid. De wet ontdekt ons aan onze zonde. Zonder kennis van zonde wordt het kruis al snel een antwoord op een vraag die niemand meer stelt.


Het Evangelie wordt pas werkelijk goed verstaan tegen de achtergrond van onze schuld en verlorenheid voor God. De Schrift spreekt daarom zonder terughoudendheid over zonde, oordeel en onze noodzaak van verzoening. De wet ontdekt ons aan onze zonde. Maar zondekennis is niet onze Zaligmaker.


De wet legt onze schuld bloot en laat zien dat wij voor God schuldig staan. Paulus schrijft:


“Wij weten nu dat alles wat de wet zegt, zij dat spreekt tot hen die onder de wet zijn, opdat elke mond gestopt wordt en de hele wereld doemwaardig wordt voor God. Daarom zal uit werken van de wet geen vlees voor Hem gerechtvaardigd worden. Door de wet is immers kennis van zonde.” - Romeinen 3:19–20

De wet maakt ons dus niet zalig, maar ontbloot ons aan onze zonde. Zij ontneemt ons iedere grond om in onszelf te roemen en laat zien dat wij rechtvaardiging buiten onszelf nodig hebben. Maar zondekennis is niet onze Zaligmaker. De wet ontdekt onze schuld; het Evangelie wijst ons op Christus.


Het probleem ontstaat wanneer we vervolgens een bepaalde hoeveelheid of ervaring van ellendekennis gaan eisen voordat iemand werkelijk tot Christus mag vluchten.


Hoeveel tranen zijn genoeg?

Hoe diep moet je verslagenheid zijn?

Hoe lang moet je onder overtuiging leven?

Wanneer is je berouw oprecht genoeg?


Als we niet oppassen, wordt de blik die naar Christus gedreven moest worden opnieuw naar binnen gericht. De grond waarop een zondaar tot Christus komt, is uiteindelijk niet de kwaliteit van zijn berouw.


De grond is Christus.


Genade sluit inspanning niet uit


Diezelfde spanning kom ik tegen in de opvoeding van mijn eigen kinderen en in het discipelen van mannen.


Als God het geloof moet schenken, waarom roep ik mijn kinderen dan op om te geloven? Als heiliging Gods werk is, waarom moet ik een man dan oproepen zijn zonde te doden? Als God soeverein is, waarom moeten wij bidden, strijden, gehoorzamen en ons oefenen in godsvrucht?

Omdat de Bijbel dat allemaal tegelijkertijd doet.


Paulus zegt:

“Werk aan uw eigen zaligheid met vrees en beven, want het is God, Die in u werkt zowel het willen als het werken, naar Zijn welbehagen.”— Filippenzen 2:12-13

Niet: werk, ondanks het feit dat God werkt.


Maar: werk, want God werkt.


Dat is een Bijbelse lijn die ik ook aan mijn kinderen wil meegeven. Ik wil hen niet leren passief af te wachten of God hen misschien ooit zal bekeren. Ik kan hun wedergeboorte niet voortbrengen en zij kunnen zichzelf geen nieuw hart geven. Maar ik kan en moet hen wel oproepen: luister naar Gods Woord, belijd je zonde, vlucht tot Christus, bid tot Hem en geloof Zijn Evangelie. Want buiten Christus zijn wij verloren, maar wie tot Hem komt, zal Hij beslist niet uitwerpen.


En ondertussen bid ik dat God doet wat alleen Hij kan doen: hun hart openen en hen levend maken.


Is tot Christus komen dan geen goedkope genade?


Hier kan een begrijpelijke gedachte opkomen: Als ik Christus mag aannemen en een beroep mag doen op Zijn beloften zonder eerst zeker te weten dat ik werkelijk bekeerd of wedergeboren ben, maken we de genade dan niet goedkoop? Kan iedereen dan eenvoudig zeggen: “Ik geloof in Jezus”, terwijl zijn leven vervolgens onveranderd doorgaat?


Dat gevaar bestaat inderdaad. Maar dat is niet wat de Bijbel bedoelt wanneer zij een zondaar oproept om tot Christus te komen.


Goedkope genade ontstaat wanneer we vergeving losmaken van bekering, rechtvaardiging van heiliging en Christus als Zaligmaker van Christus als Heere. Het is een beroep op Gods genade terwijl iemand tegelijkertijd vrede wil houden met zijn zonde. Genade wordt dan gebruikt als geruststelling zonder dat er werkelijk sprake is van bekering en een nieuw leven.


Paulus bestrijdt precies die gedachte:

“Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt? Volstrekt niet! Hoe zullen wij, die met betrekking tot de zonde gestorven zijn, nog daarin leven?” - Romeinen 6:1-2

En Titus laat zien wat Gods genade daadwerkelijk doet:

“Want de zaligmakende genade van God is verschenen aan alle mensen, en leert ons de goddeloosheid en de wereldse begeerten te verloochenen en in deze tegenwoordige wereld bezonnen, rechtvaardig en godvruchtig te leven.” - Titus 2:11-12

De genade die rechtvaardigt, leert ons dus ook de goddeloosheid te verloochenen. Niet omdat onze gehoorzaamheid alsnog de grond van onze zaligheid wordt, maar omdat Gods reddende genade een mens niet onveranderd laat.


De Heidelbergse Catechismus stelt daarom precies de vraag die hier kan opkomen:


Vraag 64: Maar maakt deze leer niet zorgeloze en goddeloze mensen?

Antwoord: “Neen zij; want het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid.”


Daarmee moeten we twee dingen goed uit elkaar houden. Je hoeft niet eerst de vruchten van je bekering vast te stellen voordat je tot Christus mag komen. Dat zou de volgorde omdraaien. Je wordt niet eerst heilig genoeg om vervolgens tot Christus te mogen vluchten. Je komt als schuldige zondaar met lege handen tot Hem.


Maar wie werkelijk door het geloof met Christus verbonden wordt, zal ook niet voor altijd dezelfde blijven. Er komt vrucht. Er ontstaat strijd tegen de zonde, verdriet wanneer we God ongehoorzaam zijn, verlangen naar heiligheid en een steeds opnieuw terugkeren tot Christus. Niet volmaakt en niet zonder vallen, maar werkelijk.


Daarom is de oplossing voor goedkope genade niet om een zondaar bij Christus vandaan te houden totdat hij voldoende kenmerken van bekering in zichzelf heeft gevonden. De oplossing is om de hele Christus en het hele Evangelie te verkondigen.


Christus zegt niet: maak jezelf eerst geschikt en kom daarna. Hij zegt ook niet: kom tot Mij zodat je daarna rustig onder de heerschappij van je zonde kunt blijven leven.


Hij zegt:

“Bekeer u en geloof het Evangelie.” - Markus 1:15

Bekering en geloof horen bij elkaar. We komen met lege handen tot Christus en ontvangen alles uit genade. En juist omdat die genade werkelijk genade is, begint zij ook ons leven te veranderen.


Goedkope genade is dus niet dat een onwaardige zondaar vrijmoedig tot Christus komt. Dat is juist het Evangelie. Goedkope genade is wanneer we Christus' vergeving willen ontvangen zonder ons van onze zonde te willen bekeren en zonder ons leven onder Zijn heerschappij te willen brengen.


De toegang tot Christus ligt niet in de kwaliteit van mijn bekering, maar in Zijn genadige uitnodiging en volbrachte werk. De vrucht van het komen tot Christus zal echter zichtbaar worden in een leven van voortdurende bekering, geloof en heiliging.


Traditie moet onder het Woord blijven


Ik schrijf dit niet omdat ik mij wil afzetten tegen de reformatorische traditie. Integendeel. Ik heb juist veel liefde gekregen voor de rijkdom ervan. De reformatoren, puriteinen, Dordt en zoveel gereformeerde predikers hebben ons veel gegeven waarvoor we dankbaar mogen zijn. Maar juist de Reformatie leert ons dat geen traditie onaantastbaar is.


Sola Scriptura geldt ook voor onze eigen traditie.


Het gevaar van Rome in de zestiende eeuw was onder andere dat kerkelijke traditie en menselijke leer een gezag kregen dat alleen Gods Woord toekomt. Het zou tragisch zijn wanneer kerken die uit de Reformatie zijn voortgekomen uiteindelijk zelf bepaalde gewoonten, formuleringen of bevindelijke schema's nauwelijks meer aan de Schrift durven toetsen.


Niet alles wat oud is, is daarom Bijbels.

Niet alles wat vertrouwd klinkt, is daarom gereformeerd.

En niet iedere actieve oproep tot bekering en geloof is daarom remonstrants.


De vraag blijft:

Wat zegt de Schrift?


Als Jezus zegt “bekeer u en geloof het Evangelie”, hebben wij niet het recht daar allerlei voorwaarden vóór te plaatsen.


Misschien hebben juist reformatorische kerken opnieuw reformatie nodig


Dat zeg ik niet lichtvaardig. En zeker niet alsof er binnen reformatorische kerken geen rijke, Schriftgetrouwe prediking of godvrezende mensen zouden zijn. Die zijn er wel degelijk.


Juist een kerk die zichzelf reformatorisch noemt, moet bereid blijven al haar prediking, tradities en gewoonten opnieuw aan het Woord van God te toetsen. De Reformatie is geen eretitel waarop wij kunnen rusten. Sola Scriptura moet ook werkelijk betekenen dat de Schrift het laatste woord houdt wanneer zij onze eigen traditie corrigeert. Waar traditie boven de Schrift komt, is reformatie nodig.


Waar mensen jarenlang onder de prediking zitten maar nauwelijks durven te geloven dat zij werkelijk tot Christus mogen komen, moeten we opnieuw naar de prediking van Jezus en de apostelen kijken.


Waar Gods verkiezing wordt gebruikt om de oproep van het Evangelie af te zwakken, moeten we terug naar de Schrift. Daar zien we dat dezelfde God Die soeverein verkiest, zondaren werkelijk oproept zich te bekeren en in Christus te geloven. De Dordtse Leerregels laten juist zien hoe beide Bijbelse waarheden naast elkaar leven.


Waar bevinding belangrijker wordt dan het Voorwerp van het geloof, moeten we terug naar alleen Christus. En waar de mens uiteindelijk wordt geleerd vooral in zichzelf te zoeken naar tekenen dat God misschien begonnen is, moet opnieuw luid klinken:


“Zie, het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt!” - Johannes 1:29

Kijk buiten jezelf


Misschien ben je opgegroeid met de waarheid van Gods soevereine genade. Je weet dat wedergeboorte Gods werk is, dat geloof een gave is en dat niemand uit zichzelf tot Christus kan komen. Houd die waarheden vast. Ze bewaren ons ervoor om ook maar iets van onze zaligheid aan onszelf toe te schrijven.


Maar trek daar niet de conclusie uit dat je daarom moet afwachten. Dezelfde Schrift die leert dat niemand tot Christus kan komen tenzij de Vader hem trekt, klinkt ook met de ernstige oproep:

“Bekeer u en geloof het Evangelie.” - Markus 1:15

Je zonde is werkelijk. Je onvermogen is werkelijk. Gods verkiezende genade is werkelijk. Maar Gods oproep om je te bekeren en in Christus te geloven is óók werkelijk.


Probeer daarom niet eerst Gods verborgen raad te doorgronden om te ontdekken of jij uitverkoren bent en dus tot Christus mag komen. God heeft je niet geroepen om Zijn verborgen raad te onderzoeken, maar om te luisteren naar wat Hij in Zijn Woord heeft geopenbaard. En daar klinkt de belofte van Christus:

“Wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.” - Johannes 6:37

Dus kom tot Hem. Niet omdat je voldoende geschiktheid in jezelf hebt gevonden. Niet omdat je zondekennis diep genoeg is, je berouw indrukwekkend genoeg voelt of je eerst zekerheid hebt gekregen dat je wedergeboren bent. Juist omdat je niets in jezelf hebt waarop je kunt rusten, vlucht je buiten jezelf naar Christus.


Bekeer je van je zonde en geloof het Evangelie. Vertrouw niet op de kracht van jouw geloof, maar op de kracht en genoegzaamheid van Christus en Zijn volbrachte werk. Het geloof rust uiteindelijk niet op wat het in zichzelf aantreft, maar op Hem in Wie het gelooft.


En wanneer je werkelijk tot Christus komt, zul je daarin uiteindelijk geen grond vinden om jezelf op de borst te slaan. Zelfs je komen, geloven en volharden geven je geen reden tot roem in jezelf. Alle eer komt Hem toe.


Daarom eindigen we niet bij de kracht van onze keuze, de diepte van onze bekering of de zekerheid van onze ervaring, maar bij God:

“Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen.” - Romeinen 11:36


 
 
 

Opmerkingen


Over ons

Men in Christ is een Bijbelse discipelschapsbediening voor mannen. Vanuit Gods Woord, geestelijke vorming en broederschap rusten we mannen toe om God te vrezen en Christus trouw te volgen.

Contact

  • Youtube
  • Instagram

"Zoals men ijzer met ijzer scherpt, 
zo scherpt de ene mens de ander"
-Spreuken 27:17-

© 2026 Men In Christ. Tot eer van God. Gebouwd met liefde, beveiligd door Wix.

Algemene Voorwaarden

Privacy policy

bottom of page